De Code

Basisprincipes

De analytische ontmoeting is een bijzonder type van menselijke ontmoeting: ze moet een kader bieden waarbinnen de symbolische inhouden zich kunnen ontplooien, en waarin ze beleefd, bevat en onderzocht kunnen worden zonder dat ze uitgeageerd en op die manier concreet gemaakt worden. De analytische praktijk is een ambacht, nederig, strikt en geëngageerd.

Van de analyticus wordt verondersteld dat hij de analysant begeleidt op een vaak moeilijke en pijnlijke initiatie-reis. Bij een dergelijke onderneming zal hij vaak geconfronteerd worden met zijn eigen machteloosheid. Hij zal er zich van onthouden zichzelf voor te stellen als de houder van het reële, van het weten of van de waarheid, of zich borg te stellen voor het onderscheid tussen goed en kwaad, erger nog voor wat "normaal" is.

De lijst van de regels die hierna worden uiteengezet is niet exhaustief; anderzijds kunnen sommige van deze regels onderworpen zijn aan uitzonderingen, bij voorbeeld in het geval van analytisch werk met kinderen. Het belang van de patiënt zal de voornaamste zorg zijn bij elke ethische vraagstelling.

1. De relatie analyticus-analysant

1.1. Duidelijkheid en handhaving van het kader.
Het is de taak van de analyticus om samen met de analysant het kader en de werkvoorwaarden te verduidelijken, en de grenzen van deze ‘container’ stevig te handhaven. Dit kader omvat de frequentie, uren en plaats van de sessies, het bedrag van de honoraria en de betalingsmodaliteiten. Elke verbreking van dit kader, opzettelijk of niet, vergt analyse.

1.2. Exclusief karakter van de analytische relatie..
De analytische relatie sluit elke andere vorm van relatie uit tussen de analyticus en de analysant of diens verwanten. De analyticus moet vermijden ten opzichte van de analysant enige andere functie uit te oefenen behalve de analytische.

1.3. Professionele ethiek.
De analyticus moet zijn professionele competentie handhaven en ontwikkelen.
Hij zal zich onthouden van elke ‘acting out’ (sexueel, gewelddadig, enz ...) en van elke andere vorm van machtsmisbruik.

1.4. Vertrouwelijk karakter.
De inhoud van de sessies is strikt vertrouwelijk. De supervisie vormt hierop geen uitzondering, vermits de superviserende analyticus zelf aan deze regel onderworpen is. Het eventuele aanwenden van klinisch materiaal voor didactische of wetenschappelijke doeleinden zal gebeuren met de grootste voorzichtigheid teneinde het anonimaat van de analysant te vrijwaren.

2. De opleidings-relatie

De regels 1.1. tot 1.4. zijn van toepassing, mutatis mutandis, op de relatie tussen opleider en aspirant of kandidaat . De analyticus mag niet vergeten dat hij zich ook hier in een professionele situatie bevindt.

3. De relatie met collega’s

3.1. De analyticus zal zijn collega’s behandelen met respect en welwillendheid.

3.2. De analyticus die zou moeten tussenkomen in een lopende analytische kuur zal dit doen met voorzichtigheid en discretie, en in een analytische geest.

3.3. De analyticus zal zich onthouden van elk kritisch oordeel ten opzichte van een collega, van de vereniging waartoe hij behoort of van de psychoanalyse, vooral in het bijzijn van de analysant.

3.4. Wanneer een analyticus vindt dat een collega van de Vereniging de deontologische code niet eerbiedigt, zal hij hier eerst over praten met de betrokkene in een sfeer van begrip en goede trouw, teneinde de zaak te verduidelijken; een eventuele doorverwijzing naar de Ethische Commissie komt slechts als laatste toevlucht in aanmerking.

4. De relaties met de buitenwereld

4.1. In zijn relaties met de buitenwereld zal de analyticus een houding aannemen die conform is met deze code. Hij zal vermijden de analyse te denigreren door ongenuanceerde kritiek, of ze op ongepaste manier te idealiseren.

4.2. Als de analyticus zich in een delicate situatie bevindt met betrekking tot zijn ethisch engagement ten opzichte van de Vereniging of van het publieke imago van de analyse (publieke lezingen, prestaties voor radio, T.V., enz ...) wordt hij verzocht vooraf de modaliteiten ervan te bespreken met de Ethische Commissie.

5. De relatie met de Ethische Commissie

5.1. Elk lid van de Vereniging heeft de verantwoordelijkheid een ontmoeting met de Ethische Commissie aan te vragen wanneer hij zich voor een deontologisch probleem geplaatst voelt.

5.2. De weigering om de Ethische Commissie te ontmoeten wanneer men door haar werd opgeroepen, en er te goeder trouw mee samen te werken, wordt beschouwd als niet-ethisch gedrag.

5.3. De hoedanigheid van lid van de Vereniging impliceert de instemming met deze deontologische code; deze opmerking geldt ook voor de aspiranten en de kandidaten.